07-03-19 Het onbestaanbare
Het onbestaanbare: hoe ik hetnajaag en aankleef. De nacht is jong;
de bijl slaapt en brengt de vijver
verkoeling. Waarheen ik mij ook wend
of keer: zij is niet hier, niet daar.
Verdriet loopt zo lang te hoop tot het
wordt erkend, zich intrekt, of zich
dood loopt. Nog is de nacht jong: al
wie nu zijn adem heeft bewaard. Dood,
hij wordt op zijn schouders genomen;
laat zich met zich sollen; wordt naar
huis gebracht, uitgekleed, gepijpt,
toegedekt; en wordt wakker.
Hans Favereij