07-03-25 on saying good-by



Eind jaren tachtig ontmoette ik hem voor het eerst. Ik gaf 's zomers les in Amerika en hij was een van de studenten. Een veelzijdig man. Hij was hoogleraar buitenlandrelaties en was beroemd geworden met boeken over de buitenlandpolitiek van Amerika en over de macht van nucleaire wapens. Boeken die hem niet door iedereen in dank waren afgenomen. Ik zie op internet tot mijn genoegen zijn boeken nog steeds druk verkocht, op universiteiten gebruikt en geciteerd worden. Hij was een tijdlang een van de naaste adviseurs van Clinton en kon daar smakelijk over vertellen. Maar diezelfde man was ook professioneel musicus, en een goede ook. En een muziekdocent met eigenzinnige ideeën over didactiek. En dan was hij zenboeddhist, waarover hij het trouwens zelden had. Maar het klonk door in alles was hij zei of deed.

De eerste keer dat ik hem ontmoette gaf ik les en hij zat in 'mijn' klas. We hadden elkaar nog niet eerder gezien of gesproken, ik kende zijn naam nog niet eens. Hij was gewoon een van de mensen met wie ik twee weken mocht werken. Het ging, ik weet het nog precies, over de verschillen in stijlen van doceren in Amerika en Nederland. In Amerika was de docent toen (nog) de onaantastbare autoriteit. Ik had dat zelf ook al ervaren. Een reden dat ik steeds als docent teruggevraagd werd, was omdat wij in Nederland een didactiek hadden ontwikkeld waarin de leerling weerwoord gaf en het gesprek aanging. Wij hadden toen al een notie van hoe je dat aanpakt, zonder dat het een zootje wordt. Op mijn cv hadden de Amerikanen zelf intussen gezet: 'Her authority is about not to be an authority'.

We waren in die les met de hele groep ingespannen met elkaar in gesprek, toen ik even naar buiten keek en iets zag waarvan ik onbedaarlijk in de lach schoot. Hij was de enige die mijn blik had gevolgd en zat ook te schudden van het lachen. Toen de anderen eindelijk begrepen dat wij tweeën zo moesten lachen om iets wat buiten gebeurde, was er buiten al niets meer te zien. Ik aarzelde of ik het wel uit kon leggen, wetende hoe preuts sommige Amerikanen - zeker in die dagen - kunnen zijn. Ik zag hem naar me kijken en heel kort nee schudden met zo'n pretblik in zijn ogen. "Er viel een chipmunk van een tak", zei hij tegen de rest van de klas. Maar dat was maar een deel van het verhaal. Ik zit hier weer te lachen nu ik het moet proberen op te schrijven. Op een tak vlak voor het raam bedreef een mannetjeschipmunk (grondeekhoorn, knabbel&babbel) ongegeneerd zo enthousiast de liefde met zijn vriendin, dat hij in zijn ijver van de tak schoot en zij ook -- bijna. Ze hing met twee pootjes aan de tak zeer benauwd naar ons te kijken terwijl het mannetje, half aan haar hangend, half in de lucht, koppig doorging met waar hij mee bezig was. Dat zag eruit of hij uit alle macht probeerde haar weer op de tak te duwen. Het kon niet goed gaan en dat ging het dus ook niet. Ze tuimelden allebei naar beneden.


In dat samen zo onbedaarlijk lachen heb ik hem ontmoet en hij is nooit meer weggegaan. Het is de enige keer in mijn leven geweest dat ik iemand zonder enige angst of aarzeling direct toegang gaf. Dat kwam door het lachen, zei hij, de voordeur stond wijd open, ik kon zo bij je naar binnen wandelen. Vanaf dat eerste moment was ik naast hem een vrouw die ik zelf wel kende, natuurlijk kende ik haar, maar die ik nooit had kunnen zijn. Hij toverde haar moeiteloos tevoorschijn en daar was ze. Dat is zijn grootste geschenk aan mij geweest. Die vrouw ben ik daarna gebleven. Zijn vrouw. Als ik haar even niet meer kan vinden, ook nu nog, is de herinnering aan hem voldoende haar weer op haar benen te zetten. De vrouw die ik tot dan toe was geweest, mocht er voor haar eigen man niet meer zijn. Ik had vol vertrouwen in hem en mij onze kinderen gekregen, ik was met hart en ziel zijn vrouw geweest en zou dat zijn gebleven, maar ik was zonder dat ik het aan had zien komen door hem voorgoed alleen gelaten. Hij ging met een ander verder. Ik verloor toen mijn vertrouwen in wie ik was en wat ik wilde.

Maar met deze man was er een vanzelfsprekende gelijkwaardigheid die ik nog niet kende. Hij speelde met me mee, daagde mijn intelligentie uit, ik speelde met hem mee, er waren weinig onderwerpen die we niet aandurfden. Er is al die jaren geen moment geweest dat ik het gevoel had rekening te moeten houden met hem. Een ongekende vrijheid. Bij hem gebeurde iets soortgelijks. Het kan niet en het zal ook niet, zei hij. Want ik ben getrouwd en heb een prima huwelijk. Maar vanaf dat ik jou ontmoette heb ik het vreemde en gelukkige gevoel dat ik je man ben. Als je het goed vindt dat ik niet je man kan zijn, dan zal ik toch je man proberen te zijn. Ik vond het goed. Het was ook goed.


We hebben een paar jaar lang op die manier een vriendschap gehad die liefde was. Naast elkaar gestaan, allebei bezig met ons eigen leven, een oceaan tussen ons in en toch naast elkaar. Veel geschreven, veel gebeld, in de zomers als ik naar Amerika kwam twee weken samen.
En allemaal heel netjes, maar wel onafscheidelijk. Er staat ergens een houten bankje (nergens zoveel bankjes als in Amerika) waar hij onder de zitting met watervaste stift heeft genoteerd dat hij me liefheeft. De laatste keer dat ik het kon controleren (je gaat als vrouw van middelbare leeftijd niet languit onder een bankje liggen als er tientallen mensen langskomen), stond het er nog. Zo leesbaar alsof hij het vandaag geschreven had. Zo voelt het ook.
Een keer heeft hij geprobeerd me naar Amerika te halen. Hij had een mooi job offer aan de universiteit, met een huis en een auto en alles. Kom, zei hij, ik wil je hier hebben. Dat is goed voor iedereen. Maar mijn kinderen waren nog klein en ik besloot niet te gaan.

Eind januari 1994 belde hij me op. Een kort gesprek. Er was kanker bij hem geconstateerd, de rest zou hij schrijven. Het was een felle prostaatkanker, hij had gekozen voor een operatie waardoor hij zijn mannelijkheid zou verliezen maar zijn leven misschien kon behouden. Hou er rekening mee dat ik al moet gaan, zei hij. Hij was 50. In de zomer waren we weer samen. Ik kon hem een geschenk teruggeven. Samen kijken naar de dood. Die ruimte kon hij thuis niet nemen of vragen, wilde hij niet nemen. Hij heeft me geleerd na te denken over de waarde en schoonheid van verlies.
En hij had een verzoek. Of ik met hem een gedicht wilde schrijven. Over Orpheus. Ik mocht van hem Euridyce zijn, in ons gedicht. Maar het ging over de liefde in het algemeen. We hebben het in tien dagen geschreven, na de les, tussendoor op wandelingen over de campus, tijdens het eten. Ik kan niet meer zeggen wat van hem en wat van mij was. Dat viel meteen volledig weg. Er zat de kleine witte stenen beer in het gedicht, een beer die hij ooit aan mij had gegeven. En een zilveren broche van een vlindertje die ik toen op mijn vest droeg en die hij gewoon van mijn vest haalde en in zijn zak stopte. Het is niet eens een goed gedicht, misschien wel een draak van een gedicht - ik kan dat in het Engels niet zo goed beoordelen - maar het is wel ons gedicht. Ik ben tevreden dat het er is. Dat we dat gemaakt hebben samen. Dat we iets gemaakt hebben, nagelaten hebben, samen.


De laatste nacht voordat hij weer naar huis ging ben ik bij hem gebleven. Die nacht was voor ons en gaat verder niemand aan. Er hing een poster in zijn huurappartement van een alfabet op vlindervleugels die hij uit de lijst heeft gehaald en aan me heeft gegeven. De poster hangt nog steeds in mijn kantoor. We hebben de liefde gevierd in de wetenschap dat we elkaar niet terug zouden zien. Voordat het licht zou worden heeft hij een taxi gebeld.

We stonden op het parkeerterrein bij zijn appartement. De vogels waren onverstoorbaar aan hun ochtendzang begonnen. Het was net licht genoeg om elkaar te kunnen zien, maar de dingen hadden nog geen kleur. Er bloeide een witte klimroos, de geur hing om ons heen en hoort sindsdien bij hem. We hoorden de taxi in de verte aankomen, ik keek naar hem en hij naar mij.
Precies op het moment dat ik een buiging voor hem maakte, boog hij voor mij. We hebben elk op hetzelfde moment een diepe buiging voor elkaar gemaakt en precies zo is het tussen ons altijd geweest. Elk ander afscheid was verschrikkelijk geweest van verdriet om het komend verlies of het verlangen naar wat nooit had kunnen zijn. Maar dit niet afgesproken buigen voor elkaar gaat nu, dertien jaar later, nog steeds door. Een diepe buiging voor wie we waren, ook al is hij er niet meer.

Hij heeft daarna met zijn studenten in Afrika een ziekenhuis gebouwd. Zijn vrouw en zoon waren mee. Op de terugweg belde hij vanaf Heathrow. Of ik kon komen, hij zou op me wachten en de anderen reisden alvast door. Maar ik kon het niet en ik kon niet, had geen geld. Ga maar, zei ik. Ik heb je lief. Begin december kreeg ik bericht dat hij was gestorven.


Hij had al in 1978 een boekje geschreven, Father & Son, thoughts to live by. Een geestig en ernstig boekje dat verschillende herdrukken kreeg. Daaruit bij dit lange verhaal zijn gedachten 'On Saying Good-by'.