07-04-01 palmzondag

Ik ken kinderen die op palmzondag het ouderlijk (moederlijk) huis mijden als de pest. De mijne.


In den beginne vonden ze het nog heel erg leuk en spannend. Op palmzondag stond als ze uit bed kwamen steevast voor alledrie een grote palmpaas klaar. Ik had de avond ervoor met engelengeduld en dikke voorpret een grote stopnaald door grote voorraden rozijnen, paaseitjes, gedroogde appeltjes, suikerbeestjes geduwd en het hele zaakje aan slingers geregen. Dat is een plakkerig en moeizaam karwei, kan ik u verzekeren. Maar wat moet dat moet.


Op de top van de palmpaas een broodhaantje of broodkonijntje of (ik vergat een keer dat ik broodfiguren moest kopen) een banaan. Aan de twee armen een mooi appeltje of mandarijntje. En in het midden aan een joekel van een spijker een chocoladebeest geprikt. En uiteraard palmtakjes, meestal nam ik na de palmzondagviering uit de kerk gewijde mee. Baat het niet dan schaadt het niet.


Om niet elk jaar te moeten bedenken waar je zo'n palmpaas van moet maken, had ik van latten voor elk kind een stok gefabriekt, mooi versierd met gekleurd plakband en linten. Ik had zelfs een reservestok, ingeval er een vreemd kind bleef logeren. Is inderdaad een keer gebeurd. Regeren is vooruitzien.


Toen ze nog heel klein waren, was hun palmpaas te zwaar om vast te houden. Opa verzon daar iets op. Een flesje aan een touwtje om hun nek en de palmpaas met zijn voet in het flesje. Dat ging goed.


Een palmpaas ruikt heel lekker mierzoet, ik zou er nog wel eens eentje willen maken. Een paar stokken staan hier nog steeds op mijn kantoor, ik kan ze zo pakken.
Doe maar niet, ma, denken mijn kinderen nu. Laat ze daar maar mooi staan dit jaar.


Want er was één dramatisch nadeel aan het krijgen van zo'n prachtige palmpaas: ze moesten er elk jaar mee op de foto. Want dat leek mij nou zo leuk: een serie dat zij steeds groter worden, maar de palmpaas niet.


Met een palmpaas gefotografeerd worden schijnt overkomelijk te zijn tot pak 'm beet het twaalfde jaar. Daarna waren ze met geen stok meer op de foto te krijgen. Het was elk jaar een heviger strijd. Toch heb ik het bij alledrie ongeveer veertien, vijftien keer voor elkaar gebokst. Het was hun liefde voor mij, denk ik nu achteraf, dat ze toch steeds weer toegaven. Dat zal het zijn.


Ik heb zo'n zin de hele serie te laten zien. Maar zij niet, denk ik.