06-11-15 eenzaamheid
Het was waar wat ik in het dagboek schrijf: de grote eenzaamheid was begonnen.Maar niet alleen die van mij, ook die van hem. We konden elkaar nog spreken, maar het was niet meer dezelfde taal. Er was een breuk.
Vanaf toen was ik op weg naar de levenden, Huub naar de dood. Hij ging sterven. Ik kon me verbeelden een eind met hem mee te reizen, over die grens heen - hij kon zich verbeelden een eind met mij mee te reizen, over die grens heen.
Dat is het treurige achter die opmerking: "Alma en ik doen heel veel, zoveel mogelijk, nu en samen, zodat ze dat straks niet in haar eentje hoeft te doen. Praktische dingen, maar ook gevoelsmatige dingen." Dat klinkt mooi, sterk, zoals je in een boek zou willen schrijven hoe het voor die twee mensen was, toen. Zodat de lezers denken: mooie sterke mensen zeg, die Huub en Alma.
Maar dat we ons dat verbeeldden, hebben we vanaf toen denk ik allebei geweten. Van mezelf weet ik het zeker. Want ik weet nu nog, dat ik het die dag besefte. Alleen durf ik het nu, nu het voor anderen een boek is geworden, pas op te schrijven. Toen niet.